WIE DAT ZICHZELF VERHEFT
(HET STANDBEELD VAN ALVA)
(A. Valerius)
1
Wie dat zichzelf verheft temet,
Werd wel een arme sleter.
Duc D'Alf uw beeld, tot spijt gezet,
Waar' afgebroken beter ;
Uw boze daad, die gij begaat,
Bij allen toch onlijdig is,
En strijdig is
Met onzer landen staat.
2
Doch 't schijnt dat nergens gij naar
vraagt,
Gij wilt het al verscheuren ;
Maar die daar doet wat God mishaagt,
Zal 't einde nog betreuren,
Als hij vol nood zal naakt en bloot
Voor Godes oordeel schuldig staan,
Onduldig gaan
Verwezen tot de dood.
3
De godlooz' groeit een wijl zeer wel,
Doch 't einde staat te vrezen
Ziet, Lucifer kwam in de hel
Door zijn hoveerdig wezen ;
Waat 't volk zich al aan spieglen zal,
Indien zij zoeken goede spoed ;
Want hoge moed
Gaat altijd voor de val.
© 1569