OP 'T HOEKSKEN BIJ COLETJEN, IN 'T CAFÉTJEN
Zangw.; Ouwe Taaie
1.
Coletjen uit 't cafétjen, op 't hoekje van ons straat,
Die gaf van hoovaardije aan niemand praat !
Ne jongen die ging gaan werken, dat was haar veel te min !
Want 'nen typ uit de stad was heure zin
Refrein:
Dat komt van 'nen heer met 'nen hoed en col,
Dat Coletje zit met kleine Pol.
En nu zingt zij bij de weige van die klein:
Zeg, waar zou uw vader mogen zijn ?
2.
Ja, dat was rap geweten, en veel avoturiers,
Draaiden rond heur, 't waren lijk kwade stiers.
Verteerden wienig kluiten, maar schonken hun amour !
Aan Coletjen elk op hun toer.
3
Maar zie, achter en tijdjen liep 't meisken in de val.
En nu die zegt, Coletjen bovenal !
Die heren uit de steden, al zwaaien ze naar mij,
Die rijen ons deure snel voorbij !
© 1950