G'LIJK DEN GROOTSTEN RAPZAK

 

G'lijk den grootsten rapzak,
Vloot den Speck verbaast,
Als een wind die blaast,
Ziet hem met zijn knapzak
Lopen inderhaast
Als een hond die raast ;
O gij stad van Leiden !
Dit stuk bemerk ;
En laat toch verbreiden Gods wonderwerk.


De Bourgoense vanen
Vlogen op de vlucht
Met een groot gerucht,
En de Castil'janen
Waren ook vol zucht en geheel beducht,
Door de hoge stromen
En menig man,
Die zij zagen komen
Dik krielen an.