KOMT, VRIENDEN, IN DE RONDE


 

1

Komt, vrienden, in de ronde,

Gij minnaars van een stiel.

Ik zal u gaan verkonden,

Hoe ik met ‘t slijperswiel

De kost verdien voor vrouw en kind,

Schoon blootgesteld aan weer en wind.


 

Refrein

Ter lieromterla

Van linksom, rechtsom draait mijne steen

Door het roeren van mijn been.

Ju, ju, ju, ju, ju, ju, ju, ju


 

2

De smid die moet hard werken

Gestadig voor het vier;

Hij durft zich niet versterken

Met ene kan goed bier.

Terwijl ik ga op mijn gemak,

Soms ook wel eens met leed’ge zak.

Refrein


 

3

De schoenmaker stijf gezeten

Op zijne pikkelstoel,

Zou kaas en droog brood eten ;

Maar als ik nood gevoel,

Dan slijp ik tot de avond toe.

En zo heb ik nooit arremoe.

Refrein


 

4

Mijn vrouw die roept victoria,

Vivat de slijpersstiel

Zij vindt de grootste gloria,

In ‘t draaien van mijn wiel

Mijn kinders hebben geen ongemak :

Zij lopen met de bedelzak !

Refrein


 

5

Sa, vrienden, voor het leste

Al ambachten zijn goed,

Maar ‘t mijn is toch het beste,

Schoon ik soms slapen moet

Op hooi of strooi in ene stal :

Dan heb ik de kost voor niemendal.

Refrein