DAAR KWAMEN DRIE KONINGEN MET EEN STER


 

1 Daar kwamen drie koningen met een ster

2 Ze kwamen den hogen berg op gegaan,

3 « Och sterre ge moet er zo stille niet gaan, »

4 De sterre ging voren ze volgen ze na,

5 Zij klopten al op Herodes zijn deur,

6 Herodes die sprak met een valsen hart

7 «Al ben ik zwart, ‘k ben wel bekend. »

8 Toen zijn ze gedrieën weer verder gegaan.

9 Zij offerden daar zo menigvoud.


 

1 Uit vreemde landen, het was zo ver,

2 Ze zagen de sterre klaar stille staan.

3 « We moeten nog t’avond naar Bethlehem gaan.

4 Totdat ze bij koging Herodes kwaam,

5 Herodes, de koning, kwam zelve veur

6 « Hoe komt toch de jongste der drie zo zwart ? »

7 « Ik hen er de koning uit Oriënt. »

8 De sterre bleef boven het stalleke staan

9 Aan ‘t Kindeken mirre, wierook en goud.